DakenRadar Gratis offerte
Kennisbank

Hoeveel afschot heeft een plat dak minimaal nodig?

Een plat dak is nooit echt vlak: reken op minimaal ongeveer 1,5 tot 2 centimeter hoogteverschil per meter richting de afvoer. Dat is grofweg 1,5 tot 2 procent helling. Blijft er na een regenbui langer dan twee dagen water staan, dan is het afschot in de praktijk te klein of zit de afvoer verkeerd.

De vuistregel: 1,5 tot 2 cm per meter

Een plat dak heet plat, maar hoort het niet te zijn. Het water moet ergens heen, en dat gebeurt uitsluitend door zwaartekracht. De praktijkvuistregel in Nederland is een afschot van ongeveer 1,5 tot 2 centimeter per strekkende meter richting de dakafvoer. Bij een dakvlak van 5 meter diep betekent dat dus zo'n 7,5 tot 10 centimeter hoogteverschil tussen de hoogste rand en het punt bij de afvoer.

Waarom niet minder? Omdat een dak in de praktijk nooit kaarsrecht blijft. Houten dakconstructies zakken licht door onder hun eigen gewicht, isolatieplaten worden na jaren wat samengedrukt, en een sneeuwlaag of een paar mensen op het dak doen de rest. Een dak dat op papier 0,5 procent afschot heeft, is na tien jaar op sommige plekken vlak of loopt zelfs de verkeerde kant op. Met 2 procent heb je marge ingebouwd voor die doorbuiging.

Waarom niet meer? Meer afschot is technisch prima en waterhuishoudkundig zelfs beter, maar het kost hoogte en materiaal. Je moet die helling namelijk ergens vandaan halen: met afschotisolatie, met een oplopende balklaag of met afschotplaten. Boven een aanbouw of dakkapel loop je snel tegen de beschikbare hoogte aan. Voor het gros van de daken is 1,5 tot 2 procent de gezonde middenweg.

Let ook op de weg naar de afvoer. Afschot in één richting is niet genoeg als het water onderweg tegen een dakrand, een lichtkoepel of een schoorsteen aanloopt. Achter zo'n obstakel ontstaat vrijwel altijd een plas. De vuistregel is dan: zorg dat elk deelvlak van het dak zijn eigen vrije weg naar een afvoer heeft.

Wat er misgaat bij te weinig afschot

Stilstaand water op een plat dak is geen cosmetisch probleem. Het is de belangrijkste sluipmoordenaar van dakbedekking, en het werkt via drie routes tegelijk.

Ten eerste het gewicht. Water weegt 1000 kilo per kubieke meter. Een plas van 3 centimeter over 20 vierkante meter is al zo'n 600 kilo extra permanente belasting op precies dat deel van de constructie dat toch al doorzakte. Dat verergert de doorbuiging, waardoor de plas dieper wordt, waardoor de doorbuiging toeneemt. Die vicieuze cirkel heet ponding en eindigt in het slechtste geval met een bezweken dak.

Ten tweede de naden en details. Een goed gelegd rubberdak gaat in de praktijk 30 tot 50 jaar mee; het rubber zelf slijt nauwelijks. Wat zo'n dak vroegtijdig sloopt zijn de details: naden, doorvoeren en randaansluitingen. Precies die details staan bij slecht afschot permanent onder water in plaats van kortstondig nat te worden. Elke naad die dag en nacht onder een waterkolom staat, krijgt een veel zwaardere test dan waarvoor hij gemaakt is. Zie ook onze uitleg over hoe lang een EPDM-dak meegaat.

Ten derde de vorst en de vervuiling. Bladeren, mos en zand zakken naar het laagste punt en blijven daar in de plas liggen. Dat gaat rotten, houdt vocht vast en versnelt de veroudering van bitumen. In de winter zet dat water uit bij bevriezing en wrikt het aan naden en scheurtjes. Bij bitumen is dat een klassieke aanleiding voor blaasvorming en losse randen — zie een blaas in een bitumen dak repareren.

Een praktische maatstaf: na een flinke bui mag het dak binnen 48 uur droog zijn. Dat is de tijd waarin normale verdamping en afvoer het werk doen. Ligt er na twee droge dagen nog steeds water, dan is er een structureel probleem met afschot of afvoer.

Zelf je afschot meten

Je hebt hier geen dakdekker voor nodig. Pak een rechte lat van 1 of 2 meter en een waterpas, of gebruik een lange waterpas. Leg de lat op het dak in de richting van de afvoer, breng de bovenkant waterpas en meet het gat onder het lage uiteinde. Meet je 2 centimeter bij een lat van 1 meter, dan heb je 2 procent afschot. Doe dat op meerdere plekken, want een dak dat bij de rand keurig afloopt kan in het midden alsnog vlak zijn.

De simpelste test blijft de emmer water. Giet een emmer leeg op verschillende punten en kijk waar het water heen loopt en of het daadwerkelijk de afvoer bereikt. Blijft het ergens staan, markeer die plek dan met krijt. Nog eenvoudiger: loop na een regenbui het dak op en fotografeer waar de plassen liggen. Die foto's zijn goud waard als je later offertes opvraagt, want ze laten een dakdekker precies zien wat er moet gebeuren.

Kijk tegelijk naar de afvoer zelf. Een verstopte of te hoog zittende hemelwaterafvoer geeft exact dezelfde plassen als te weinig afschot, maar is voor een fractie van de prijs opgelost. Controleer of de afvoerputje verdiept ligt ten opzichte van het dakvlak, of het rooster vrij is van blad, en of de dakgoot en afvoer zelf doorlopen. Neem dit mee in je vaste dakonderhoud: twee keer per jaar het rooster schoonmaken voorkomt de helft van alle plasproblemen.

Te weinig afschot: wat kun je eraan doen?

Er zijn grofweg drie routes, van goedkoop naar grondig.

Route 1: extra afvoer of noodoverloop. Zit de plas dicht bij de dakrand, dan kan een extra afvoer of een spuwer op het laagste punt al veel oplossen. Dit is de goedkoopste ingreep en vaak in een halve dag gedaan. Het lost het afschot niet op, maar beperkt wel de diepte en de standtijd van de plas.

Route 2: afschotisolatie bij een nieuwe dakbedekking. Moet de dakbedekking er toch af, dan is dat hét moment om het afschot te corrigeren. Afschotisolatie bestaat uit isolatieplaten die aan de ene kant dikker zijn dan aan de andere; je legt ze op als een puzzel richting de afvoer. Je lost twee problemen in één keer op: de helling én de isolatie. Reken op meerkosten ten opzichte van vlakke platen, maar op de levensduur van het dak verdient dat zich terug. Wat een nieuwe dakbedekking kost, lees je bij plat dak vervangen.

Route 3: de constructie aanpassen. Bij ernstige doorbuiging of een dak dat structureel de verkeerde kant op loopt, moet de balklaag zelf worden verzwaard of opgehoogd. Dit is bouwkundig werk en hoort door een vakman beoordeeld te worden — zie dak vervangen of repareren voor de afweging.

Let bij route 2 op de subsidie. Voor dakisolatie kun je ISDE-subsidie krijgen, maar de RVO stelt harde voorwaarden: het werk moet volledig door een bouw- of installatiebedrijf worden uitgevoerd, je mag niet zelf isoleren, en je isoleert het huidige oppervlak van je woning. Vergroot je je woning met een aanbouw, een nieuwe verdieping of een dakkapel, dan krijg je voor dát deel geen subsidie. Ook geldt: voor dakisolatie krijg je maar één keer subsidie, en je vraagt hem pas ná de uitvoering aan. Bekijk wat er voor jou in zit via de ISDE-calculator.

Veelgestelde vragen

Is 1 procent afschot genoeg voor een plat dak?

Op papier voert 1 procent het water af, maar in de praktijk is het te krap. Doorbuiging van de constructie en samendrukking van de isolatie eten die marge binnen tien jaar op, waarna er alsnog plassen ontstaan. Houd 1,5 tot 2 procent aan als ondergrens.

Mag een plat dak helemaal geen afschot hebben?

Technisch bestaat er dakbedekking die permanent stilstaand water verdraagt, maar het blijft ongewenst: het gewicht belast de constructie, vuil hoopt zich op en naden staan continu onder water. Nul afschot is nooit een bewuste keuze, altijd een gebrek.

Hoe lang mag er water op mijn platte dak blijven staan?

Als vuistregel: binnen 48 uur na een bui hoort het dak droog te zijn. Staat er na twee droge dagen nog water, dan is het afschot te klein of zit de afvoer verstopt. Controleer eerst de afvoer, dat is de goedkoopste oorzaak.

Krijg ik subsidie als ik bij het herstellen van het afschot meteen isoleer?

Mogelijk wel via de ISDE, maar de RVO eist dat de isolatiewerkzaamheden volledig door een bouw- of installatiebedrijf worden uitgevoerd — zelf isoleren telt niet mee. Je vraagt de subsidie pas na afloop aan en per woning maar één keer voor dakisolatie. Meer op de pagina over subsidie dakisolatie.